PATH OF 100 MONKEYS






Uitheemse slak gedijt prima in ons water

Exotische schelpdieren rukken snel op. Nu is ontdekt wat ze zo bevoordeelt: ze kunnen beter tegen de gevolgen van de klimaatverandering dan inheemse soorten. Ook zout kunnen ze beter aan, ontdekte Radboud-milieukundige Laura Verbrugge.

Guaggamosselen aan de Bizonbaai.

Negentig procent van de schelpdieren in het Nederlandse deel van de Rijn is inmiddels een exoot. Driehoeksmosselen en de recent binnengekomen quaggamossel maken de dienst uit. Deze quaggamossel rukt enorm hard op in de Europese waterwegen: afhankelijk van de waterstroom, scheepvaart en andere omstandigheden zo'n vijfendertig tot wel zeshonderd kilometer per jaar. Maar hoe komt het dat ze het zo goed doen?
Hete soepMilieukundige Laura Verbrugge zocht het uit. Vooral de hoge piektemperaturen in de zomer blijkt de inheemse soorten de das om te doen. ‘Honderd jaar geleden kwam het water in de Rijn nooit boven de 25 graden. Nu gemiddeld zeven dagen per jaar. En gemiddeld is het water 3 graden warmer.' Het wetenschappelijke tijdschrift Biological Invasions publiceert haar werk deze maand.
Tweederde van de stijging van de watertemperatuur komt van lozingen en koelinstallaties van (electriciteits) fabrieken langs de rivieren. Eenderde is toe te schrijven aan de klimaatverandering. Door de daarmee samenhangende zeespiegelstijging en het lage zomerpeil in de rivieren, stroomt er ook veel meer zout zeewater de delta in. Ook daar kunnen de exoten beter tegen dan de schelpdieren die hier inheems zijn.